WITBOEK
Tussen december en de regendruppels van februari schreef ik een
dagboek vol. Daar zitten natuurlijk veel verlichte voornemens, geheime
liefdesverklaringen en goede ideeën tussen. Het is een mooi dagboek,
een echte, met een kaft die door een magneetje sluit.
Ik heb het mijzelf ooit vol blanco blaadjes cadeau gedaan, na een persoonlijk drama dat ik op het nippertje overleefde. Iets met liefde, hartstocht en storm waarschijnlijk. Op de nul-bladzijde heb ik mijn naam, telefoonnummer en adres geschreven. En de aanmoediging het gevonden voorwerp terug te geven, tegen “eminent vindersloon”.
Mijn schijven in dit boek gaat volgens een strenge spelregel: er worden alleen fijne ervaringen in opgeschreven. Het is dus officieel een witboek. De verliefdheid en de vrijheid staan er in, de regen en de modder niet.
Elke dag, zonder uitzondering, noteer ik minstens drie dingen die de moeite waard waren. Want wat je schrijft, onthoud je – is de theorie.
Het begon als een opdracht die ik kreeg om op te krabbelen uit een depressie.
Natuurlijk vond ik het een waardeloos idee: ik wilde gewoon gelukkig zijn, alles kunnen en de hemel bestormen.
Maar de streber die ik ben, begon zichzelf al gauw te overtreffen door vier, vijf, zes, tien goede nieuwtjes te noteren. Zo raakte ik gewend aan een nieuwe manier van terugblikken. Ik heb een boek vol aanmoedigingen, observaties, complimenten en ongezouten adoratie. Terugbladerend blijkt dat al mijn winterdagen ergens ook vrolijk, gezellig, euforisch en leerzaam waren.
Soms scheen de zon, soms ben ik gaan hardlopen. Ik gaf mijn hamster op tijd eten. Ik heb de buschauffeur vriendelijk gegroet, een vlinder gezien, een mooi boek gelezen. De fysiotherapeut was gister aardig, ik dronk lekkere thee, at een verse vijg en waste mijn haar met shampoo die naar zomervakantie ruikt. Bij mijn ouders knuffelde ik met de kat, ik ging op kraamvisite en ik houd van mijn vriendin Annemarie. Ik genoot van verliefde stelletjes op straat en van de toneelles die ik donderdag had. Ik moest lachen om niks. Vandaag heb ik 6 minuten gemediteerd, vijf koekjes gegeten en twee mensen blij gemaakt met een kus.
Stiekem heb ik nog een apart schriftje voor zwarte en grijze aantekeningen. Daarin schrijf ik over missers en boze dromen. Er staan eigenlijk maar een paar woorden in gekrabbeld, iets met “griep”, “stom” en “regen”. Daarna ben ik mijn hamster gaan aaien. Mijn witboek wordt elke dag dikker.
Ik heb het mijzelf ooit vol blanco blaadjes cadeau gedaan, na een persoonlijk drama dat ik op het nippertje overleefde. Iets met liefde, hartstocht en storm waarschijnlijk. Op de nul-bladzijde heb ik mijn naam, telefoonnummer en adres geschreven. En de aanmoediging het gevonden voorwerp terug te geven, tegen “eminent vindersloon”.
Mijn schijven in dit boek gaat volgens een strenge spelregel: er worden alleen fijne ervaringen in opgeschreven. Het is dus officieel een witboek. De verliefdheid en de vrijheid staan er in, de regen en de modder niet.
Elke dag, zonder uitzondering, noteer ik minstens drie dingen die de moeite waard waren. Want wat je schrijft, onthoud je – is de theorie.
Het begon als een opdracht die ik kreeg om op te krabbelen uit een depressie.
Natuurlijk vond ik het een waardeloos idee: ik wilde gewoon gelukkig zijn, alles kunnen en de hemel bestormen.
Maar de streber die ik ben, begon zichzelf al gauw te overtreffen door vier, vijf, zes, tien goede nieuwtjes te noteren. Zo raakte ik gewend aan een nieuwe manier van terugblikken. Ik heb een boek vol aanmoedigingen, observaties, complimenten en ongezouten adoratie. Terugbladerend blijkt dat al mijn winterdagen ergens ook vrolijk, gezellig, euforisch en leerzaam waren.
Soms scheen de zon, soms ben ik gaan hardlopen. Ik gaf mijn hamster op tijd eten. Ik heb de buschauffeur vriendelijk gegroet, een vlinder gezien, een mooi boek gelezen. De fysiotherapeut was gister aardig, ik dronk lekkere thee, at een verse vijg en waste mijn haar met shampoo die naar zomervakantie ruikt. Bij mijn ouders knuffelde ik met de kat, ik ging op kraamvisite en ik houd van mijn vriendin Annemarie. Ik genoot van verliefde stelletjes op straat en van de toneelles die ik donderdag had. Ik moest lachen om niks. Vandaag heb ik 6 minuten gemediteerd, vijf koekjes gegeten en twee mensen blij gemaakt met een kus.
Stiekem heb ik nog een apart schriftje voor zwarte en grijze aantekeningen. Daarin schrijf ik over missers en boze dromen. Er staan eigenlijk maar een paar woorden in gekrabbeld, iets met “griep”, “stom” en “regen”. Daarna ben ik mijn hamster gaan aaien. Mijn witboek wordt elke dag dikker.
Deze column verscheen eerder als blog op de website van
Books 4 Life Utrecht