“Psst, mevrouw.... Moet u nu weg?”.
Twee jonge mannen zijn ongezien het lokaal binnengekomen.
De dialoogbijeenkomst waaraan ik deelnam, is net afgelopen. Alle deelnemers zijn van tafel gegaan. Het lokaal is leeggelopen.
Ik ben enige overgeblevene, pak rustig mijn tas in, veronderstel dat niemand op mij let.
Behalve deze jongens dus, die heel specifiek naar mij toekomen.
Behalve deze jongens dus, die heel specifiek naar mij toekomen.
Voor ik het weet hebben ze
stoelen gepakt en zijn naast mij aangeschoven. Ik voel me in een hoek gedreven. Jassen met
bontkraag aan, petjes op, telefoons in de hand. Ik antwoord, tamelijk geintimideerd, dat ik niet direct na afloop van de bijeenkomst
weg ga. In mijn hoofd probeer ik als een razende te bedenken wat deze mannen van mij willen. Met mijn ogen speur ik ondertussen alvast naar vluchtroutes.
“Wij
willen uw hulp”, zegt de grootste van de twee.
Hij werpt een snelle blik opzij naar
zijn vriend, waarmee duidelijk wordt wie 'wij' zijn. Ze zijn samen, samen sterk. Ter bevestiging mompelt de tweede
jongen iets als “ja, ja, wij dus...”.
Ik voel me ongemakkelijk, wat willen deze kerels van mij?
Voorzichtig maak ik oogcontact. De grootste van de twee lijkt nogal nerveus. Nerveus? Beter kijken.
Ik schat mijn belagers zestien, zeventien jaar oud.
Is dit de leeftijd waarop onbekende mannen gevaarlijk zijn?
Tot ik ze aankeek waren ze twee donkere figuren die met snode plannen doelgericht op mij afkwamen. Nu zie ik twee zenuwachtige jongens, zoekend naar de juiste woorden, wiebelend op hun stoel, kinderen die moeilijk stil kunnen zitten.
“Wij
willen een dialoog organiseren, kan dat?”. Ik trek mijn wenkbrauwen op en heb daar meteen spijt van. Mijn motie van wantrouwen is per ongeluk zichtbaar.
Stompzinnig lach ik een beetje. “Jullie
willen een dialoog organiseren?”. Na een kuchje en een korte pauze krijg ik beleefd antwoord. “Ja,
mevrouw, een dialoog tussen jonge mensen en oude mensen. Zodat ze van
elkaar kunnen leren. Jongeren weten vaak andere dingen dan oude
mensen. En oude mensen weten juist veel over vroeger, wat wij niet
weten. Het lijkt ons mooi om een gesprek te organiseren. Kan dat?”.
Mijn hart slaat een keertje over. Ik kan lachen en huilen te gelijk. En mezelf voor mijn kop slaan.
In dit lokaal vond
net nog een dialoog plaats, georganiseerd door eerstejaars studenten van het ROC en een dialoogstichting. Als vrijwilliger zit ik soms zelf
aan tafel, zoals vanochtend.
De jongens deden vandaag niet mee met
de gesprekken. Ze hebben er van gehoord en zijn gemotiveerd om ook
zelf rond de tafel te gaan. Ze hebben ideeën en vragen over de moderne wereld en dingen van vroeger,
de maatschappij, politiek, discriminatie, gelijkwaardigheid en vooroordelen.
Vooroordelen over jonge mannen met bontkraagjes, bijvoorbeeld.