Er was iemand die dadels
en frambozen meenam naar het park om met mij te eten terwijl we keken
hoe de bomen verkleurden.
Er was iemand die mij
stevig vasthield en wilde dat ik goed luisterde en hoorde dat er veel van mij gehouden
wordt.
Er was iemand die voor
mijn verjaardag bij mij kwam logeren zodat ik jarig en samen wakker zou worden.
Er was iemand aan wiens
hand ik mocht meelopen van het kleedhokje naar het diepe omdat ik
bang was te verdwalen in het zwembad.
Er was iemand bij wie ik
mijn hoofd op schoot legde terwijl ik dacht dat ik alles opgaf.
Er was iemand met wie ik
samen fietste over een eiland zonder te weten waar naartoe, maar dat
gaf niet omdat het eiland niet groot was en de zon scheen op onze
knieën en op de trappers.
Er was iemand die samen
met mij op de bank zat om te kijken naar een gewelddadige serie over moord en wraak, maar toch had ik eindelijk het gevoel
dat alles oké was en veilig daar tussen haar en de kussens en de kat.
Er was iemand die mij
leerde dat het oké is om niet alles zelf te kunnen en dat het
normaal is dat je niet alles in je eentje wilt doen: want als wij
mensen dat wél al eeuwen het liefst hadden gewild, was er heus genoeg plek om in woestijnen te gaan wonen met kilometers leegte om ons heen… maar dat doen we niet, en dat zegt dus wel iets.
Er was diezelfde iemand
die uitlegde dat het prima is om na te denken voor je iets
impulsiefs doet, beter nog: om even te verzinnen of iets ‘wel handig’
is. Maar dat wat haar betreft spontane acties eigenlijk altíjd best
‘handig’ zijn.
Er was iemand van wie ik een prentenboek kreeg over een meisje dat vergeet te worden wie ze had bedacht te zijn, en verdwaalt, maar dat eindigt met vrolijk gekleurde tekeningen.
Er was iemand die
refereerde aan mijn woorden toen ik mijn leven in de soep voelde lopen, en ik hoorde “dingen komen wel, op het goede
moment. Soms is het even de tijd voor niet iets.” en ik wist dat hij gelijk had, want ik had het zelf gezegd.