Aan: de dakloze meneer op het bankje onder mijn raam
Utrecht, april 2014
Beste
onbekende,
hallo meneer,
Voor u een serieuze brief vandaag.
Vanochtend werd ik wakker met een blik op niks en zin in niets. Ik wilde huilen en getroost worden maar er is hier niemand. Niemand behalve ikzelf. En eigenlijk voel ik zelf soms niet eens als een heel iemand.
Het hielp om te gaan lezen. Ik zal u vertellen wat ik las.“Kijk alsjeblieft naar mij, ik kijk met de ogen van liefde. Ik weerspiegel de hemel, vol vertrouwen. Kijk, in mijn hart heb ik een volle maan. (...) ben ik een ruimte geworden, zonder grenzen. Ik heb geen plannen meer. Ik heb geen bagage. (...) Ik ben vrijheid.”
Het zijn woorden uit het gedicht Ademen van Thich Nhat Hanh. En ik geloof deze dappere Vietnamees. Ik geloof hem wanneer hij uitlegt dat wij allemaal onderdeel uitmaken van één groot geheel. Hij noemt dat inter-zijn; zonder het één is het ander niet en alles beïnvloedt elkaar. En daarom zijn we allemaal helemaal niets en tegelijk alles. Samen zijn we nooit een eenling. Ik alleen, alleen ben ik niets.
Samen met u, met alle mensen naast ons, de mensen die we liefhebben en degenen die we verachten; samen met zij die ons pijn doen en zij die ons sussen. Samen met iedereen die eenzaam is, iedereen die hartenzeer heeft, en tegelijk samen met iedereen die vervuld is van geluk en liefde. Samen zijn we iets. Samen zijn we alles.
Wij twee, wij weten niet van elkaar hoe ons gezicht eruitziet. Hoe onze handen bewegen en hoe onze ogen gericht zijn. Ik weet niet of uw humeur vanochtend ook belabberd was. Of er woede in uw hart is, of hoop of vertrouwen misschien. Of gemis. En wie mist u dan?
Ik had u zien (en horen) aankomen, rochelend en met een grote hoed op. Nadat uw bezittingen door u waren uitgestald (een soort deken, een pot vaseline en een onaangebroken pot aardbeienjam), op en rondom de tuinbank, ging u liggen en begon al gauw te ronken.
Als ik midden in mijn kamer sta, heb ik uitzicht op uw op-en-neer bewegende borst. U ademt. Het enige dat ons scheidt is mijn raam. Dubbelglas, met aan deze zijde een paar bloempotten en aan uw zijde de buitenlucht. Ik ben opgelucht te ontdekken dat het niet erg koud is. Maar toch: wat bijzonder dat wij zo dichtbij elkaar zullen slapen vannacht. Wij zullen elkaar geen moment aanraken. Ik zal straks wegkruipen tussen mijn zachte kussens, wegdoezelen in een comfortabel bed dat te groot is voor mij alleen. Morgenochtend neem ik een warme douche, zeep mezelf in met schuim en was mijn haren. Daarna smeer ik waarschijnlijk een boterham aan mijn keukentafel. Ik weet niet waar u morgen naartoe gaat.
In de keuken vul ik een petfles met kraanwater. Uit de broodtrommel haal ik een onaangebroken volkorenbrood. Op mijn pantoffels loop ik de voordeur uit, zachtjes om u niet wakker te maken.
Ik heb geen medelijden met u. U bent een mens zoals ikzelf. Dus ik vraag mezelf: wat zou ik willen als ik daar sliep vannacht? Waaraan zou ik behoefte hebben als ik morgenochtend wakker werd, liggend op een houten bank voor het huis van iemand anders? Ik zou vast honger hebben, dorst, zere botten en stijve spieren. De fles en broodzak zet ik ter hoogte van uw knieën onder het bankje.
Ik wil u niet laten schrikken en ben ook bang voor wat u zou doen als ik u per ongeluk stoor. Misschien wordt u boos, bent u agressief en ontoerekeningsvatbaar of een enge psychopaat op vrije voeten. Maar voor nu bent u gewoon een mens op een bankje onder mijn raam.Goede reis straks,
de buurvrouw